winkelmandje 

Noordhollands Breiwerk 

Gebreide Noord-Hollandertjes

Een oude techniek in een nieuw jasje

Aaltje (1885-1953)

Aaltje was familie van mijn vaders kant. Waarschijnlijk een achternicht. Ze woonde in een kleine woning ergens in Langedijk. Haar man Piet was jong overleden, ze had geen kinderen, maar wel haar oude moeder in huis.

Haar moeder werd door iedereen Opie genoemd, waarschijnlijk een verbastering van Opoe. Mijn vader (1893-1977) kwam graag bij ze op bezoek. Aaltje was altijd vrolijk en haar moeder geestig. En als Opie een brandewijntje met suiker op had, begonnen haar wangen te gloeien, haar ogen te tintelen en vertelde ze leuke verhalen van vroeger.

Een van de mooiste verhalen vond mijn vader dat van een 'dor op het huis'. Een 'dor' was een grote pop van stro, die geplaatst werd op het huis, van een jongen of meisje, waarvan een vroegere vrijer of vrijster met een ander ging trouwen. Met plaatste de pop liefst 's avonds op het huis, zodat niemand het merkte. In de hand van de pop zat een papier met daarop een gedicht. Opie kon zo'n gedicht, van wel zes coupletten, met veel plezier opzeggen.

Opie op 80 jarige leeftijd.(1860-1944)

Mijn vader had het gedicht graag in zijn geheel op willen schijven,maar dat wilde Opie niet, want die dacht dat hij haar voor de gek hield. Alleen de eerste vier regels heeft mijn vader kunnen optekenen.

Stukje van het gedicht in mijn vaders handschrift

"Wel Kees, mijn goede vrind, wat ziel ge er toch uit,
ik wil het wel geloven, Uw Antje is de bruid,
Maar gij zijd het niet, het is een ander vrind,
Het is Hendrik Hogeboom, die haar zo teer bemint"

Tekening van Opie uit het schetsboek van mijn vader

Het was bij Aaltje en Opie altijd gastvrij en gezellig. Als jongen ging mijn vader er heen, met zijn broers, om te varen met de roeiboot en te vissen, want Langedijk was een waterrijk gebied.

Later kwam hij er ook met zijn verloofde, ( mijn moeder 1900-1993), met wie hij in 1925 trouwde.Mijn vader en moeder in 1925
Voor hun huwelijk kregen ze van Aaltje en Opie een bruine kruik, een z.g.n. "baardman" en een koperen keteltje. Want "die jongen houdt zo van oude dingen" zei Opie.

De Baardman (kruik) en het keteltje staan nog altijd bij mij in het atelier


Dit is de inrichting van de woonkamer, van het eerste huis van mijn ouders. ( 1925). Rechts op de foto, voor de kachel staat het keteltje.

Het zou 18 jaar duren voor mijn moeder in verwachting raakte. Dat was in 1943, midden in de Tweede Wereld Oorlog. Toen mijn vader dat kwam vertellen bij Aaltje en Opie konden ze het bijna niet geloven. Hoewel Opie toen al ziekelijk was, begonnen haar ogen als vanouds te stralen. "Dan zal ik een vestje voor de kleine breien", beloofde ze, "van eigen gesponnen wol, zoals ze dat vroeger deden,een echt gebreid Noord-Hollandertje"

Kort voor mijn geboorte (1944) overleed Opie, 84 jaar oud. Als kraamcadeautje kreeg mijn moeder van Aaltje een schattig gebreid jasje, van handgesponnen wol. Mijn moeder was er heel blij mee, want er was niet veel te krijgen in de oorlog.

Ik herinner me het jasje wel, want mijn moeder heeft het nog jaren bewaard. Het was schattig. "Typisch een gebreid Noordhollandertje", noemde mijn moeder het. Gemaakt van hele zachte witte wol, met ingebreide verticale randjes, in lieve kleurtjes, afgewisseld door ribbeltjes. Vooral het eenvoudige bloem motiefje is me altijd bij gebleven

Uit mijn herinnering heb ik het jaren later na gebreid.

Toen ik zelf begon te spinnen heb ik mijn moeders hoofd suf gezeurd met vragen.
Had ze Opie of Aaltje ooit zien spinnen? Op wat voor spinnewiel? En waarmee verfde Aaltje de wol? Maar mijn moeder wist er weinig van. Het enige wat ze zich kon herinneren was dat Aaltje kleurtjes wol zat te kammen, met een ijzeren kam. Die plukjes legde ze dan keurig naast elkaar om het later te spinnen.

Nee, bij spinnen lag mijn moeders interesse niet. Haar sentimenten lagen ergens anders, dat kon ik horen aan haar stem als ze naar het vestje keek en zei "Mooi hè, dat typische Noord-Hollandse breiwerk. Ja, Aaltje en Opie konden dat nog”. Waar het jasje tenslotte is gebleven, weet ik niet. Ten prooi gevallen aan een opruimerige bui van mijn moeder, of aan de motten, of aan een combinatie van die twee, denk ik.

Eigenlijk ben ik al jaren bezig om uit te zoeken, wat "typisch Noord-Hollands breiwerk" nu eigenlijk is. Noch boekjes noch literatuur is mij er over bekend. Wel ben ik er achter gekomen dat in de streek (West-Friesland), waar Opie en Aaltje vandaan kwamen, het er voor tuinders (kool) vaak geen vetpot was. Soms hadden ze zo weinig, dat ze de stronken van de kool, 's winters van het land haalden, om op te stoken voor wat warmte. Geld was er nauwelijks. Gebreide kleding die versleten raakte werd uitgehaald, de slechte stukken weggegooid en het goede garen bewaard. Zo kreeg men verschillende kleuren en diktes van garen en daarvan werd dan weer een nieuw kledingstuk gebreid, met streepjes en kleine patroontjes.

Tenslotte werd het een kunst om van 'restjes' een zo mooi mogelijk nieuw kledingstuk te breien. Een creatieve vorm van hergebruik. (Zo is patchwork (lapjeswerk) ook ontstaan, maar dan van stof.)

Dit is het jongste broertje van mijn vader. (Ik denk rond 1911) De tekening komt uit mijn vaders schetsboek. Is het truitje wat hij draagt een "echt Noord-Hollandertje"?

Foto's van Noord-Hollands breiwerk heb ik nooit kunnen vinden.

Wel is dit portret van Aaltje, door mijn vader getekend. Hoe zou het er hebben uitgezien wat ze droeg.....???


Een paar jaar na de dood van Opie ging Aaltje bij haar broer wonen, om daar te helpen. Hij had een café ergens bij Hoorn in de buurt. Mijn vader heeft haar daar nog een keer opgezocht. Het was er zo druk dat hij niet rustig met haar heeft kunnen praten. Hij vond Aaltje er slecht uitzien, oud geworden en ook niet blij. Toen mijn vader wegging vroeg hij: "Heb je het hier een beetje leuk Aal, zijn ze wel lief voor je ?" "Ach",antwoordde ze, "Ik heb een dak boven mijn hoofd en te eten" Mijn vader werd er niet vrolijk van.
Een paar jaar later hoorde mijn vader via via, dat Aaltje was overleden..........

Zo je het maakt, zo heb je het........zeiden ze vroeger thuis. Dat geldt zeker voor het maken van "typisch Noord-Hollands breiwerk"
Het grootste deel van mijn kennis hierover komt voort uit mijn herinnering aan het babyjasje en van de verhalen van mijn ouders en wat anderen mij er nog over konden vertellen.
Er zijn wel kenmerken voor Noord-Hollands breiwerk. Specifiek zijn de verticale randjes, steeds afgewisseld door een ribbel.

De randjes hebben altijd hele eenvoudige patroontjes, (waarschijnlijk omdat vroeger de enige verlichting 's avonds een olielamp was.)
Door de patroontjes ontstaan flotterende draden aan de achterkant, die geven extra warmte en stevigheid aan het breiwerk.

Van oorsprong werden Noord-Hollandertjes gebreid van handgesponnen en handgeverfde wol. Handgesponnen garen is altijd iets onregelmatig, dat geeft levendigheid aan het breiwerk. Het kleurverloop van de wol zorgt er voor dat de eenvoudige patroontjes iets spannends krijgen.

Vaak heeft handgesponnen wol niet helemaal dezelfde dikte. Het wordt echter op een "gemiddelde" pen dikte gebreid en door de afwisseling van de randjes, geeft verschil in garen- dikte geen probleem Het breiwerk bestaat uit meerdere kleuren, die soms dicht bij elkaar liggen of soms juist helemaal niet.

Ik ben me gaan toeleggen op het breien van Noord-Hollandertjes. Helemaal van handgesponnen- en natuur geverfde wol..........

Ter herinnering aan Aaltje en Opie en ter nagedachtenis aan al die mensen aan wie ik nooit meer iets kan vragen.
Jo-Anna

 

winkelmandje  ·  contact  ·  homenaar boven